Nut en onnut van de parlementaire enquete
Op school leerde ik dat er in de parlementaire geschiedenis twee parlementaire enquetes waren uitgevoerd: over de kinderarbeid, en - post hoc - over het beleid van de regering in ballingschap in London.
Sindsdien regent het enquetes.
De parlementaire enquete heeft meestal drie kenmerken.
In de eerste plaats komt hij veel te laat.
In de tweede plaats stelt hij de verkeerde vraag.
In de derde plaats trekt hij de verkeerde conclusie.
Het eerste kenmerk, veel te laat, lijkt inherent. Je gaat pas vragen stellen als er iets mis is gegaan. Meestal, echter, wordt het instellen van een onderzoek nog verder uitgesteld tot de verantwoordelijke politici de politiek hebben verlaten: Srebenica, grote projecten.
Het tweede kenmerk, de verkeerde vraag: in de Bijlmer-enquete werd het pas interessant toen even aan de rol van Schiphol als doorvoergelegenheid voor wapens naar Israel werd geraakt, en over het bestaan van een soort Israelisch vrijstaatje op onze nationale luchthaven. Daarover werd het heel snel echter weer heel stil. In het parlementaire onderzoek naar kostenoverschrijdingen in grote projecten (Betuwelijn, HSL) werd de grootste kostenoverschrijding in het grootste infrastructurele project dat op dit moment in Nederland gaande is niet genoemd, laat staan onderzocht.
Het gaat hier om een project dat aanvankelijk (in 1995) begroot werd op 1,8 miljard euro, maar nu al op 6,25 miljard, terwijl het nog loopt tot 2018. Dit project heeft geen concrete doelstellingen, en de resultaten van deze mega-investeringen worden in het geheel niet geƫvalueerd.
Er werd in de commissie-Duyvenstein met geen woord over gerept.
U denkt: waar heeft hij het over?
De aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur, oftewel EHS.
Het derde kenmerk: de verkeerde conclusies.
Neem de RSV-enquete. Hier werd staatssteun onderzocht aan stervende bedrijfstakken: arbeidsintensief, veel dom laswerk, gedoemd naar elders te vertrekken.
De politiek trok echter de merkwaardige conclusie, althans adopteerde als onwrikbare mindset, dat elke interventie richting bedrijven in problemen uit den boze was. Toen kwam Fokker. De vliegtuigfabriek was tot uiterste efficiency doorgereorganiseerd, maar kwam in moeilijkheden door heel andere oorzaken dan RSV, namelijk aberraties op de valutamarkt: een tijdelijk extreem lage dollar.
Toen Fokker uiteindelijk failliet was, lag een koopje op het bordje van de staat. Een schitterend bedrijf, met enorme technologische uitstraling voor de nationale economie. Wijers, en de politiek in het algemeen, lieten het lopen.

0 Comments:
Een reactie plaatsen
<< Home